regeerakkoord metropoolregio amsterdam

Amsterdam is proeftuin voor duurzame innovaties

 

Amsterdam wordt landelijk erkend als de proeftuin voor duurzame innovaties. De stad investeert in innovaties met een gesloten kringloop van grond- en afvalstoffen. Hierdoor ontstaat economische groei zonder een verdere belasting van milieu en uitputting van schaarse grondstoffen en fossiele energie. Bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties nemen op dit moment volop concrete initiatieven voor vergroening van de economie. De groene innovaties die succesvol zijn in Amsterdam kunnen door heel Nederland worden ingezet.

 

De Amsterdam Economic Board ondertekende op 12 november de ‘Green deal; hotspot voor circulaire economie’ om kringloopeconomie in de regio te bevorderen. Samen met de overheid en belangenorganisaties MVO Nederland en CircleEconomy pakken we initiatieven op die duurzame groei stimuleren. Het kabinet belooft zich ervoor in te zetten om eventuele obstakels hiervoor weg te nemen.

 

De Amsterdamse regio zet in op de thema’s water, energie, landbouw en nutriënten. Een voorbeeld van zo’n duurzaam initiatief is de teelt van olifantengras (Miscanthus) op Schiphol. Dit gras kent vele toepassingen: ganzenwering en geluidsreductie in de omgeving van vliegtuigen. De plant bevat tevens cellulose, waar bioplastics van gemaakt kunnen worden. In Amsterdam is Biobased Connections, het duurzaamheidsprogramma van de Board, de aanjager van de samenwerking op deze thema’s.

 

Transitie naar een duurzame, circulaire economie kan Nederland jaarlijks aanzienlijke waarde opleveren. Inschatting van de opbrengst varieert van 12 tot 22 miljard euro per jaar voor de gehele Nederlandse economie. Op Europese schaal kan een circulaire transitie 247 tot 477 miljard per jaar opleveren. Nederland kan hierbij koploper en gidsland zijn door de aanwezigheid van een goede infrastructuur, wereldwijd leidende bedrijven met hoge noteringen in de Dow Jones Sustainability Index en een ambitieuze duurzaamheidbeweging in het bedrijfsleven.

 

Bron: Amsterdam Economic Board

Geef een antwoord